ECVO  betekend European College of Veterinary Ophthalmologists.

Dit is een Erkende europese organisatie die gespecialiseerd is in oog onderzoek bij dieren.
In Nederland zijn de oogspecialisten aangesloten bij deze organisatie en gebruiken allen het formulier waar de uitslag op staat. Voor een persoon die zich niet bezighoud met de fok van dieren is dit een formulier dat niet voor iedereen te begrijpen is. Daarom trachten wij het uit te leggen en ook aan te geven waar u op moet letten als u een nest wilt fokken met honden die getest zijn. Wij raden dan ook aan allebei de ouderdieren eerst te test voor men deze inzet voor de fok. Een ooguitslag is 12 maand geldig en het is dan ook verstandig “voor fokkers die aangesloten bij de rasvereniging verplicht” dit elk jaar te laten doen, immers een oogafwijking is niet altijd bij de geboorte te zien en kan op latere leeftijd optreden.

Hier gaan we verder met het formulier:

  1. Gegevens van de hond
  2. Gegevens van de eigenaar
  3. Gegevens voor het Onderzoek
  4. Veld waar afwijkingen ingetekend worden en eventuele bijschriften.
  5. Onderzoeksresultaten Dit wordt hierna uitgelegd wat dit betekend
  6. Gegevens van de oog specialist

De belangrijkste blokken zijn 4 en 5 hier staat het resultaat in van de oog uitslag.
De oog specialist zal in 4 de oog doorsnede intekenen wat deze heeft geconstateerd en ook de plek waar het zich bevindt maar ook de mate waarin het zich bevindt.
Nu het belangrijkste en voor de meeste mensen en fokkers het moeilijkst te begrijpen blok 5.
Dit blok staat vol met allerlei moeilijke namen dit zijn de oog afwijkingen / ziektes.

Afwijkingen en Ziektes:

1. aMembrana Pupillaris Persistens

Wat is MPP?

MPP is een vrij zelden voorkomende, aangeboren oogafwijking. Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de voorzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien.

Wat zijn de verschijnselen?

MPP komt in vele vormen voor. Bij de lichtste vormen blijven er kleine pigmentklontjes achter op de voorkant van de lens of tegen de binnenkant van het hoornvlies. Ook kunnen er zich draadjes bevinden op het oppervlak van de iris (regenboogvlies). Deze draadjes kunnen ook oversteken over de pupil of naar de voorkant van de lens of naar de binnenzijde van het hoornvlies. Er kan zelfs een soort spinnenweb in het oog van overblijven. Als de resten verbonden zijn met de binnenzijde van het hoornvlies kunnen zij daarin witte littekens veroorzaken. Het lijkt dan of de patiënt op pupleeftijd een beschadiging aan het oog heeft gekregen. Als de resten tegen de voorzijde van de lens blijven zitten, kunnen zij daar grauwe staar of cataract veroorzaken (zie verder). Soms gaat MPP ook gepaard met andere oogafwijkingen, zoals microphthalmie of netvliesafwijkingen.

Wat is er aan te doen?

Een behandeling is vrijwel nooit noodzakelijk. Een heel enkele keer is operatieve verwijdering nuttig.

Wat is de oorzaak?

MPP wordt veroorzaakt doordat, tijdens het laatste deel van de dracht, een stoornis in de afbraak van het embryonale vaatstelseltje aan de voorzijde van de lens optreedt. Bij een aantal rassen is de afwijking erfelijk bepaald.

Hoe kan het worden voorkomen?

Honden met ernstige vormen van MPP kunnen beter worden uitgesloten van de fokkerij. Bij sommige rassen heeft de afwijking zich al zeer sterk door het ras verbreid. Bij dergelijke rassen zal men voorlopig niet veel anders kunnen doen dan bij de selectie alleen honden met lichte vormen van MPP te gebruiken en dan nog zo min mogelijk.

Dr. F.C. Stades, Dierenarts, specialist oogheelkunde, Diplomate ECVO

2. Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV):

1 Wat is PHTVL/PHPV?

PHTVL/PHPV is een, op zich, zeldzaam voorkomende, aangeboren oogafwijking. Bij een tweetal rassen is bewezen dat de afwijking erfelijk is bepaald. Binnen deze rassen kwam (voordat er tegen werd geselecteerd, zoals bij de Dobermann) de afwijking wel regelmatig voor. Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de achterzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien. Er blijven minieme restjes (graad 1) van het lensvaatnetje, ook na de geboorte zitten. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) blijven er grotere delen achter en gaan zij tevens woekeren.

Wat zijn de verschijnselen?

Om aan te geven in welke vorm de hond de afwijking heeft, zijn gradaties aangebracht, nl.: Onbeslist, graad 1 en de ernstige vormen (graden 2-6). Bij "onbeslist" blijven minieme restjes van het vaatnetje, meestal alleen in één oog, achter op de achterzijde van de lens. Bij graad 1 zijn duidelijker restjes achtergebleven. Zij veranderen niet meer, veroorzaken geen veranderingen aan andere delen van het oog en beïnvloeden het gezichtsvermogen van de hond niet. Zij zijn uitsluitend te zien met behulp van een speciale microscoop. De ernstige vormen (graden 2-6), komen steeds in beide ogen voor. Er blijft een laagje gepigmenteerd, gewoekerd littekenweefsel met vaatresten tegen de achterkapsel van de lens zitten. Daarnaast kunnen de lenzen aan de achterzijde conisch (kegelvormig) zijn misvormd. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) heeft het proces een slechte invloed op de lensinhoud, waardoor deze langzaam troebel wordt (cataract). Dit cataract kan reeds bij de geboorte aanwezig zijn, waardoor de pups direct al blind zijn. Het kan ook gedurende het leven langzaam in ernst toenemen. De weg van het licht naar het netvlies wordt daardoor steeds meer geblokkeerd, de hond kan steeds minder zien en wordt langzaam blind. De afwijkingen doen in ieder geval geen pijn. Soms zijn de pups al blind bij de geboorte en weten niet beter. Als ze geleidelijk blind worden hebben ze rustig de tijd om zich aan te passen. Zij zullen zich in een vreemde omgeving alleen wel vaker gaan stoten (zie inleiding: Onze hond is blind).

Wat is de oorzaak?

Door middel van fokproeven en stamboom-onderzoek kon worden aangetoond dat PHTVL/PHPV wordt veroorzaakt door een erfelijke stoornis in de ontwikkeling en de afbraak van het vaatstelseltje aan de achterzijde van de lens, tijdens het eerste deel van de dracht. De afwijkingen konden reeds worden vastgesteld bij vruchtjes op een leeftijd van 30 dagen na de dekking. De afwijking wordt het meest waarschijnlijk veroorzaakt door een niet geslachtsgebonden, niet compleet dominant overervende en in verschillende uitingsvormen voorkomende erffactor. Daarbij wordt tevens aangenomen dat de dieren die van de ene ouder de normale en van de andere ouder de afwijkende erffactoren krijgen (drager of heterozygoot) geen of graad 1 afwijkingen vertonen.

Wat is er aan te doen?

De ernstig afwijkende ogen (graad 2-6) zijn, als zij blind zijn, te opereren. De prognose van de operatie is dubieus (circa 50 %). Als de operatie geen verbetering geeft, blijft de hond blind. De meeste blinde honden kunnen zich echter uitermate goed redden met hun prima neus en oren. Sommige honden worden bang, schrikachtig en soms zelf agressief en daardoor gevaarlijk. In die gevallen blijft er bijna geen andere mogelijkheid over dan euthanasie.

Hoe kan het worden voorkomen?

Om al deze problemen te voorkomen is het veel beter om door fok- en controlemaatregelen te trachten het aantal ernstige gevallen terug te dringen. Pups kunnen al voordat ze naar de nieuwe eigenaar gaan, dus op jeugdige leeftijd (6-8 weken), maar wel na het chippen (of de tatoeage) worden gecontroleerd op de afwijking. Dit is dan weliswaar een voorlopige uitslag, omdat de oogjes dan nog erg klein zijn en daardoor soms zeer lichte afwijkingen over het hoofd kunnen worden gezien. Door de vroege controle wordt in ieder geval wel voorkomen dat pups met ernstige afwijkingen worden verkocht. Ernstig afwijkende dieren dienen te worden uitgesloten van de fokkerij. Ook hun directe familie (d.w.z. ouderdieren, maar ook nestgenoten) kunnen beter niet meer voor de fokkerij worden gebruikt. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dieren dit toelaat kunnen Graad 1 en "onbeslist" honden ook beter niet meer worden gebruikt. Gelukkig is door doelmatige bestrijding, het aantal dieren met de afwijking in de afgelopen jaren sterk terug gedrongen.

Dr. F.C. Stades Dierenarts, specialist oogheelkunde Diplomate European College of Veterinary Ophthalmologists (ECVO.

3. Cataract (Congenitaal): 

Cataract of grauwe staar (abnormale troebeling van de lens)

Wat is grauwe staar?

Achter pupil en iris (regenboogvlies) bevindt zich de lens, waarmee het binnenkomende beeld wordt scherpgesteld op het netvlies. De lens behoort daartoe helder te zijn. De normale lens kent echter wel een verouderingsproces, waardoor de honden-/kattenlens vanaf circa 6-jarige leeftijd in het centrale deel een grauwe waas (sclerose) gaat vertonen. Dit is normaal en veroorzaakt géén blindheid. Een abnormale troebeling van de lens en/of de lenskapsel wordt cataract of grauwe staar genoemd. De afwijking komt regelmatig voor, bij mens en dier. Cataracten kunnen aangeboren of verkregen zijn. De belangrijkste groep van de verkregen cataracten is die van de erfelijke vormen. Het komt ook voor dat het cataract het gevolg is van een andere ziekte. Het bekendste voorbeeld is suikerziekte. Vandaar dat het bij een patiënt met cataract van belang is te weten of deze veel drinkt en dat bij twijfel het bloedsuiker gehalte wordt bepaald. Cataract door suikerziekte verslechtert in het algemeen snel. De dieren kunnen dan binnen enkele weken blind zijn. Als een klein deel van de lens door cataract troebel is geworden kan het gezichtsvermogen nog redelijk goed zijn. Helaas breiden bijna alle vormen van cataract zich uit, totdat de lens geheel ondoorzichtig is geworden. Het dier registreert met dat oog dan nog wel licht en donker, maar ziet geen beeld meer (kijkt door matglas). Grauwe staar of cataract is voor veel honden en katten geen onoverkomelijk probleem. Cataract doet geen pijn. Bovendien is het oog voor de meeste huisdieren een minder belangrijk zintuig dan voor bijvoorbeeld de mens. Honden en katten leven in een wereld van geuren en geluiden en van voelen. De ogen geven aanvullende informatie. Daarom kunnen huisdieren zich doorgaans ongelooflijk goed aan een verminderd gezichtsvermogen aanpassen. Slechtziende honden blaffen 's avonds soms wat sneller of zijn wat angstiger. Zelfs als zij geheel blind zijn, zullen zij het meubilair in huis prima blijven ontwijken en enthousiast blijven spelen. Ook met de bal en met de stok. Als ze plotseling blind worden hebben ze meestal enkele maanden nodig om zich aan te passen. Natuurlijk moet ook een blinde hond in het verkeer aan de lijn, en in het veld of bij zwemmen binnen gezichtsafstand blijven. In huis is het beter de mand zó te plaatsen, dat de hond bij wakker schrikken weet, dat hij achteruit weg kan.

Een hond die zich bedreigd voelt kan gemakkelijk uit angst bijten, ook al is het een heel lieve hond! Als er kleine kinderen in de buurt zijn moet een blinde hond dus wakker blijven of buiten het bereik van de kinderen worden gehouden. Maar op zich is blindheid bij een huisdier geen reden voor euthanasie.

Dr. F.C. Stades, Dierenarts, specialist oogheelkunde, Diplomate ECVO

“Congenitaal” cataract staat voor aangeboren cataract, d.w.z. ontstaan voor of net na de geboorte, tot ongeveer de 6-8ste levensweek.

4. Retina (netvlies) degeneratie:

Wat is Retina Dysplasie (RD)?

RD is een aangeboren en erfelijke netvlies-/vaatvliesafwijking, die kan variëren van, in de lichtste gevallen onbeduidende kleine locale plooitjes in de retina (netvlies), in demiddenvorm met grotere plooien of locale loslatingen met later retinadegeneratie (verval), tot de ernstige vormen met grote plooien of totale retinaloslating.

Wat zijn de verschijnselen?

De vorm met de locale retina plooitjes veroorzaakt geen merkbare oogproblemen voor het dier. Dezevorm wordt als focale vorm aangemerkt op het rapport oogonderzoek formulier. Kleine plooitjes kunnen in de loop van de eerste levensmaanden soms nog verstrijken. Helaas zijn er ook gevallen bekend, waarbij zij pas na de eerste puppie screening moeten zijn ontstaan. Of deze gevallen ook onder de erfelijke vorm moeten worden geschaard, is nog niet duidelijk. De afwijking is bij een aantal rassen bekend (bijvoorbeeld: Am. C. Spaniël, Collies, Rottweiler, Beagle, Labrador Retriever, Noors boskat). De middelgradige of geografische vorm van RD kan gezichtsuitval van kleine gebiedjes van de retina veroorzaken. Dit is aan de hond echter vrijwel niet te merken. Pas in het eindstadium kunnen de honden verlies van gezichtsvermogen gaan vertonen. Deze vorm komt voor bijvoorbeeld bij de Engelse Springer Spaniël voor.

De ernstige of totale vorm met grote plooien of totale retinaloslating. Deze ernstig vorm is beschreven bij de Bedlington-, Sealyham-, en Yorkshire Terriër en de Labrador Retriever (bij dit laatste ras in combinatie met skelet afwijkingen). Hierbij worden, in het algemeen beiderzijdse, grote tot totale netvliesloslatingen gevonden, soms in combinatie met cataract en er treedt wel een ernstige vermindering van het gezichtsvermogen of totale blindheid op.

Wat is er aan te doen?

In principe is retina-vastzetting door middel van "vastlaseren" of "vriezen" soms nog mogelijk. Dit is echter alleen zinvol als het netvlies nog niet geheel losligt.

Wat is de oorzaak?

De midden en de ernstige vorm van RD worden waarschijnlijk veroorzaakt door een autosomaal recessief overervend defect. De lichtste vorm zou recessief overerven, hierover is echter minder bekend.

Hoe kan het worden voorkomen?

Daar er bij de lichtste vorm vooralsnog geen afwijkingen in het gezichtsvermogen zijn geconstateerd, worden in het algemeen geen fokbeperkingen geadviseerd, behalve bij rassen waarbij de ernstiger vormen ook bekend zijn. De gevallen worden echter altijd wel geregistreerd. Dieren met de midden-, of geografische vorm van RD en zeker die met de ernstige vorm kunnen beter van de fokkerij worden uitgesloten. Ook directe familieleden kunnen beter niet worden gebruikt.

Dr. F.C. Stades, Dierenarts, specialist oogheelkunde, Diplomate ECVO

5. Hypoplasie / Micropapilla:

Wat is Hypoplasie /micropapilla?

Bij de micro- en de hypoplastische - niet functionele – papil is de kop van de oogzenuw onvoldoende ontwikkeld wat zich uit in een vermindering van het aantal zenuwvezeltjes en zenuwcellen. Het gezichtsvermogen van een oog met een hypoplastische papil is vrijwel nihil.

6. Colly eye Anomaly:

Wat is Colly Eye Anomaly?

aangeboren: komt vooral bij de Schotse Herdershond en de Shetland Sheepdog voor. Het is een afwijking waarbij het netvlies, het vaatvlies en de oogzenuw betrokken kan zijn. De ernst van de afwijking bepaalt de mate waarin het gezichtsvermogen is aangetast.

7. Anders:

Spreekt voor zich.

8. Ligamentum pectinatum abnormaliteit:

Wat is Ligamentum Pectinatum Abnormaliteit?

Ligamentum pectinatum abnormaliteit, vroeger ook goniodysplasie of dysgenese (Engels:PLD) genoemd. Net buiten en achter het hoornvlies bevindt zich de kamerhoek. Deze wordt begrensd door het Ligamentum pectinatum. Dat vormt de begrenzing van de “zeef”waardoor het oogwater het oog weer verlaat. Bij deze afwijking is dit “zeef”-systeem afwijkend aangelegd. Er worden drie types onderscheiden. De vezeltjes (vergelijkbaar met een druipsteengrot) kunnen te kort en te breed zijn (fibrae latae), of uitwaaierende plaatvormige delen vertonen (laminae). Bij de meest afwijkende vormen zit de “zeef” rondom nagenoeg dicht (occlusio). Bij de oogonderzoeksuitslagen wordt in principe ook de ernst van de desbetreffende vormen vermeld.

11. Entropion/ Trichiasis:

Wat is Entropion / Trichiasis?

Entropion: is een afwijking waarbij het ooglid naar binnen krult. Zowel in het gehele onderooglid, delen daarvan, het bovenooglid of binnenooghoek kan Entropion voorkomen. Entropion komt bij veel rassen voor.

Trichiasis: zijn haren die zich op een normale plaats bevinden maar die door een afwijkende stand de bindvliezen en/of het hoornvlies irriteren. Komt vooral voor bij de neusplooi en bij het buitendeel van het bovenooglid.

12. Ectropion/ Mecroblepharon:

Wat is Ectropion / Mecrobpharon?

Het naar buiten openhangen van de onderste oogleden, (bv. bij Bloedhond), het rode slijmvlies is dan goed zichtbaar.

13. Distichiasis/Ectopische Cilie:

Wat is Distichiasis / ectopische Cilie?

Distichiasis: enkele of vele haartjes op de vrije ooglidrand, ze komen doorheen de openingen van de kliertjes van Meibomius, deze haartjes kunnen fijn en zacht zijn (zoals bijvoorbeeld bij Cockers) en veroorzaken dan geen irritatie; zijn de haartjes stug (zoals bijvoorbeeld bij Flatcoated Retriever) dan kan beschadiging van het hoornvlies optreden.

Ectopische Cilie: hierbij bevinden zich 1 of meer haartjes in een kliertje van Meibomius, maar dit haar komt niet door de opening op de ooglidrand zelf naar buiten , maar wel doorheen het slijmvlies van het ooglid, en daardoor beschadigt dit haar het hoornvlies, de ectopische cilie bevindt zich meestal in het midden van het bovenooglid.

14. Cornea Dystrophie:

Wat is Cornea Dystrophie?

Bij deze aandoening wordt het hoornvlies (= cornea) troebel door het ontstaan van neerslagen, meestal centraal op het hoornvlies Je ziet dan in het midden een dof plekje Uw hond heeft verder geen last van zo'n dof plekje Meestal wordt geadviseerd wat aanpassingen te doen in de voeding van uw hond.

15. Cataract (Niet Congenitaal):

Wat is Cataract (niet congenitaal)?

Dit is jeugdstaar, in de lens zijn troebelingen aanwezig, dat kunnen kleine troebele plekjes zijn die lange tijd stabiel zijn en niet of nauwelijks een vermindering van het gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige mate voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste oog veroorzaken. Cataract kan aan één oog voorkomen, of beiderzijds. Het komt bij veel rassen voor. De term jeugdstaar is wat misleidend. Bij veel rassen treedt het op in de eerste levensjaren, maar het kan ook nog op latere leeftijd optreden. Het onderscheid met het normale verouderingsproces van de lens (de bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.

Later ontstane cataract heet “niet congenitaal”.

De 5 blokjes hier achter ???

  • Corticaal: in de schors
  • Posterior polair: achterste pool (dit is voor 95% - 99% erfelijk)
  • Ant. Sut. L. voorste verbindingslijn van de lensvezels
  • Punctata: puntvormig (onafhankelijk van de plaats)
  • Nucleus: in de kern

16. Lens Luxatie (primair):

Wat is Lens Luxatie?

Dit is het loslaten van de lens. Komt vooral voor bij kleine Terriërs en treedt meestal op rond de 4 jarige leeftijd. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.

17. Retina Degeneratie (PRA):

Wat is Retina Degeneratie?

Dit is een netvliesafwijking die bij veel rassen voorkomt en tot blindheid leidt. Het begint meestal met slecht zien in het donker (nachtblindheid) en leidt uiteindelijk na enkele jaren tot volledige blindheid. Voor PRA bestaat geen behandeling. PRA ontwikkelt zich bij veel rassen pas na het derde of vierde levensjaar. Voor die tijd is er aan de hond niets te merken en bij het oogonderzoek ook niet te zien. Voor een aantal rassen bestaat er nu een DNA-test, waardoor bij pups al is vast te stellen of de hond genetisch vrij is of dat er een kans is op dragerschap of lijderschap. De verwachting is dat deze ontwikkelingen de komende jaren zullen doorgaan, waardoor het voor vele rassen mogelijk zal zijn PRA door middel van DNA-technieken op te sporen.

Mocht u op een formulier iets tegenkomen wat is aangekruist als voorlopig niet vrij of niet vrij , vraag dan eerst bij de rasvereniging van het ras of het verstandig is om met deze hond te fokken?

Met dank aan de Lhasa-Apso-Newssite voor de toestemming om de onderstaande uitleg te mogen publiceren

DNA profiel bouvier

Sinds 1 juni 2014 geldt er in Nederland een verplichte DNA-afstammingscontrole voor rashonden. Dit betekent dat bij alle dekkingen vanaf 1 juni 2014 de verplichting geldt.
Van alle rashondenpups en hun ouders wordt daarvoor DNA afgenomen. Zo is zeker dat de opgegeven ouders ook echt de ouders zijn, maar kan ook veel gerichter gewerkt worden aan het verbeteren van de gezondheid van rashonden in Nederland.  Wij hopen dat u als dekreu-eigenaar buiten Nederland meewerkt aan deze afstammingscontrole.

 

De betekenins van DNA

DNA is de afkorting van Desoxyribo Nucleic Acid (Desoxyribonucleïnezuur). DNA bevindt zich in iedere celkern van alle cellen (behalve de rode bloedcellen) van ieder organisme en draagt in haar chemische structuur de erfelijke eigenschappen van de hond. Wanneer van een aantal DNA-fragmenten de lengte bepaald wordt, is voor het individu waarvan dit uitgevoerd wordt een ‘patroon’ vastgelegd. Dit patroon is identiek voor een bepaald mens, dier of plant, zodat bij twijfel opnieuw dit patroon vastgesteld kan worden om dit te bevestigen. Het DNA-patroon van één dier is in elk deel van het lichaam gelijk. Het maakt voor het vaststellen van een DNA-patroon van een dier niet uit, of het DNA afkomstig is uit haarwortels, swabs, bloed, sperma, of ander weefsel. Doordat grote variatie aanwezig is in het DNA, is er geen enkele kans dat bij twee willekeurige, onverwante, individuen een identieke barcode aanwezig is. Elk individu zal een eigen DNA-volgorde hebben, die op één of meerdere punten van andere dieren zal verschillen. Uitzondering hierop zijn vanzelfsprekend eeneiige tweelingen, die een volledig identiek DNA-patroon hebben. Een groot voordeel is dat wanneer het DNA-profiel eenmaal bekend is, alle nakomelingen van dit dier verder kunnen worden herleid. Als van een dekreu het DNA-profiel eenmaal is vastgesteld, kunnen zij fokkers voor afstammingsonderzoek hier eenvoudig naar verwijzen.

 

Waarom een DNA profiel vastleggen van onze bouvier?
De Raad van Beheer geeft bij de registratie van honden in het Nederlands Hondenstamboek een officïeel document (de stamboom) waarop de afstamming van de bouvier wordt vermeld. De ouderdieren worden door de fokker aan de Raad doorgegeven door het invullen van de dek-en geboorteaangifte. Met de ondertekening van dit formulier, verklaart de fokker de gegevens naar waarheid te hebben ingevuld. Echter, hoe zeker weet men of de nakomelingen werkelijk van de beoogde vader afstammen? Ervaring leert dat de natuur zich niet altijd laat sturen. Een loopse teef trekt nu eenmaal reuen aan, die zodra ze hun kans schoon zien de teef zullen dekken. Als een teef gedurende de loopsheid twee keer wordt gedekt, is het dus niet zeker van welke vaderdier de pups afstammen. Dit komt nu slechts een enkele keer aan het licht, omdat de nakomelingen kenmerken vertonen (bv. vachtkleurpatroon), die de opgegeven reu niet kan overerven. In dat geval is er sprake van twijfel aan de afstamming en wordt de inschrijving van het nest in het NHSB geweigerd. Alleen als de fokker de afstamming aan de hand van DNA-onderzoek laat vaststellen, gaat de Raad van Beheer over tot inschrijving van het nest.Met de huidige DNA-technieken is het nu heel eenvoudig om de juiste afstamming te bepalen. Naast de integriteit van de afstammingsgegevens in de stamboekregistratie, verheldert een juiste afstamming het zicht op de overerving van erfelijke aandoeningen binnen ons ras. Hierdoor kan bijvoorbeeld worden voorkomen dat een dekreu onterecht voor de fok wordt uitgesloten. Ook bij berekening van zgn. fokwaarden voor de fokdieren kan dit in de toekomst een rol gaan spelen.

 

Het DNA onderzoek bij de Raad van Beheer

De afdeling Gezondheid, Gedrag & Welzijn (GGW) van de Raad van Beheer is in 2008 een pilot gestart met het Dr. Van Haeringen Laboratorium (VHL) te Wageningen om te kijken hoe zij kan bijdragen aan het beter beschikbaar maken van nieuwe DNA-technieken voor de Nederlandse kynologie. Doelstelling hierbij is het DNA-onderzoek efficiënt en tegen redelijke kosten te laten plaatsvinden, zodat een eventuele (financiele) drempel voor fokkers wordt weggenomen en het voor een rasvereniging makkelijker wordt om DNA-onderzoek op te nemen in haar fokbeleid. GGW is gestart met het faciliteren van aanvragen van een DNA-profiel van fokdieren op basis waarvan afstammingsonderzoek kan plaatsvinden

  

Het officiële Raad van Beheer "DNA profile registered" logo hierboven kan door de eigenaar van de onderzochte hond gebruikt worden in de communicatie. Iedere rashondenfokker weet dat met de huidige DNA-technieken de juiste afstamming van een nest eenvoudig is te bepalen.
Afstammingsonderzoek is alleen mogelijk als het DNA-profiel van de ouderdieren bekend is. Dit betekent dus dat wanneer afstammingsonderzoek gevraagd wordt, het DNA-profiel van het fokdier beschikbaar moet zijn. Fokkers die met het oog op deze nieuwe ontwikkelingen het DNA-profiel van hun fokdieren willen laten vastleggen, kunnen dit via de Raad van Beheer aanvragen. De typering van het DNA-profiel vindt plaats bij het dr. Van Haeringen Laboratorium. Dit gebeurt conform de richtlijnen van de  International Society for Animal Genetics (ISAG).

Binnen 3 weken na inzending van een monster krijgt de fokker  het ‘canine identification certificate’ met het DNA-profiel van uw hond thuisgestuurd. Een groot voordeel is dat wanneer het DNA-profiel eenmaal bekend is, alle nakomelingen van dit dier verder kunnen worden herleid. Als van een dekreu het DNA-profiel eenmaal is vastgesteld, kunnen zij fokkers voor afstammingsonderzoek hier eenvoudig naar verwijzen.

 


Het DNA onderzoek uitvoeren

Op de website van de Raad van Beheer kan een DNA Profiel onderzoekset worden besteld.  Deze set bestaat uit instructies voor afname van het DNA materiaal, twee swabs (katoenen "borsteltjes") voor de afname, het inzendformulier en een retour enveloppe voor het opsturen van de set naar het Van Haeringen Laboratorium (VHL).  Het onderzoek moet dus zelf thuis worden gedaan.


Lijst van dierenartsen die als panellid zijn erkend door de afdeling gedrag, gezondheid en welzijn (GGW) van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland te Amsterdam en de European College of Veterinary Opthalmologists en het oogonderzoek volgens het protocol mogen verrichten. Een aantal is tevens erkend als dierenarts, specialist oogheelkunde in Nederland (NL-spec.) of ook als Europees Specialist (Diplomate, Dip. ECVO).


 Adres en Woonplaats

 Naam dierenarts

Medisch Centrum voor Dieren
Isolatorweg 45
1014 AS Amsterdam
Tel.: 020-7400600

www.mcvoordieren.nl

Prof. dr. M.H. Boevé,
NL-spec, dip. ECVO
Mw. dr. C. Görig,
NL-spec, dip. ECVO
Mw. drs. P. Grinninger, dip. ECVO

Diergeneeskundig Centrum Bekenland
Geesterseweg 16
7275 BM Gelselaar
Tel.: 0545-481666

www.bekenland.nl

Prof. dr. M.H. Boevé,
NL-spec, dip. ECVO

WHG dierenziekenhuis Alkmaar
Vondelstaete 500
1814 MH Alkmaar
Tel.: 072-5112133

www.whgdierenartsen.nl

Drs. J. Gutteling,
NL-spec.

De Graafschap Dierenartsen
Schimmeldijk 1
7255 XM Vorden
Tel.: 0575-587888

www.degraafschapdierenartsen.nl

Mw. dr. C. Görig,
NL-spec, dip. ECVO

Dier Medisch Cenrum Kennemerland
Zadelmakersstraat 98
1991 JE Velserbroek
Tel.: 023 5384444

www.dierenartsvelserbroek.nl

Mw. dr. Ch. Görig,
NL-spec, dip. ECVO

Dierenkliniek Zeddam
Vinkwijkseweg 36
7038 EP Zeddam

www.dapdz.nl

Mw. dr. C. Görig,
NL-spec, dip. ECVO

Dierenkliniek Sneek
Lange Veemarktstraat 11
8601 ET Sneek
Tel.: 0515-412 112

www.dierenklinieksneek.nl

Drs. J. Gutteling,
NL-spec.

Dierenkliniek Emmeloord
Espelerlaan 77
8302 DC Emmeloord
Tel.: 0527-613500

www.dierenkliniekemmeloord.nl

Drs. J. Gutteling,
NL-spec.

Dierenkliniek Arts & Dier
Hoofdweg 26 A
7871 TC Klijndijk
Tel.: 0591-513151

www.artsendier.nl

Drs. J. Gutteling,
NL-spec.

Dierenartsenpraktijk Deurze-Smilde-Assen Balkendwarsweg 1 A
9405 PT Assen
Tel 0592-309 903

www.dierenartsassen.nl

Drs. J. Gutteling,
NL-spec.

Dierenartsenpraktijk Hoogeveen
De Weide 2
7908 AB Hoogeveen
Tel 0528-262 530

www.dierenartsenhoogeveen.nl

Drs. J. Gutteling,
NL-spec.

Veterinaire Specialisten
Boxtelsebaan 6
5061 VD Oisterwijk
Tel.: 013-5285900

www.veterinairespecialisten.nl

Drs. A. Heijn,
NL-spec, dip. ECVO

Dierenkliniek Hellendoorn-Nijverdal
Ommerweg 54
7447 RG Hellendoorn
Tel.: 0548-655065

www.dierenkliniekhellendoorn.nl

Mw. Drs. R.R.O.M. v.d. Sandt,
NL-spec.

Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren
Yalelaan 108
3584 CM Utrecht
Tel.: 030-2539411

Prof. dr. M.H. Boevé,
NL-spec, dip. ECVO

Mw. Drs. Djajadiningrat-Laanen, NL-spec, dip. ECVO

Dierenhospitaal Visdonk
Visdonkseweg 2a
4707 PE Roosendaal
Tel.: 0165-583750

www.dierenhospitaal-visdonk.nl

Dr. F.C. Stades,
NL-spec, dip. ECVO,

Mw. A.M. Verbruggen,
DVM, NL-spec, dip. ECVO
Mw. drs. P. Grinninger,
dip. ECVO

Veterinair Specialistisch Centrum De Wagenrenk Keijenbergseweg 18
6705 BN Wageningen
Tel.: 0317-419120

www.wagenrenk.com

Dr. F.C. Stades,
NL-spec, dip. ECVO,

Mw. Drs. R.R.O.M. v.d.Sandt,
NL-spec.

Dierenkliniek Den Heuvel
Oirschotseweg 113A
5684 NH Best
Tel.: 0499-374205

www.dierenkliniekdenheuvel.nl

Mw. Drs. K.J.M. Stróbl

Kliniek voor Specialistische Diergeneeskunde Barbarakruid 2
3068 SB Rotterdam
Tel.: 06-10460877

www.ksd-rotterdam.nl

Mw. A.M. Verbruggen,
DVM, NL-spec, dip. ECVO

Mw. drs. P. Grinninger,
dip. ECVO

Dierenarts-Specialisten De Kopaan
van Reeuwijkstraat 34
7731 EH Ommen
Tel.: 0529-452580

www.dekompaan.com

Mw. Drs. R.R.O.M. v.d. Sandt,

NL-spec.

Specialistische Dierenkliniek Utrecht
Middenwetering 19
3543 AR Utrecht
Tel.:  030-2513510

www.s-d-u.nl

Mevr. Drs. I.M.G. Kraijer-Huver, NL-spec, dip. ECVO

Elleboogdysplasie onderzoek bij de bouvier 

Elleboogdysplasie (beter bekent als ED) is een aandoening die regelmatig voorkomt bij de hond. ED onderzoek richt zich op 4 verschillende aandoeningen van het ellebooggewricht, die echter alle op den duur tot  deformatie van het gewricht en kreupelheid kunnen leiden. Het zijn ontwikkelingsstoornissen van met name het kraakbeen in gewrichten die onder invloed van erfelijke en andere factoren ontstaan. Sommige honden kunnen hiervan op jonge leeftijd reeds ernstige problemen ondervinden. Bij andere zullen pas op latere leeftijd de ernstige misvormingen in het gewricht aanleiding zijn tot kreupelheid. Het onderzoek is gebaseerd op röntgenfoto's van de ellebogen. Omdat de oorzakelijke redenen per ras kunnen verschillen, zal ook het aantal vereiste röntgenopnamen per ras verschillend kunnen zijn.

Elleboogdysplasie onderzoek 
Alle bouviers die worden ingezet voor de fokkerij waarvan de fokker is aangesloten bij Boe4 zijn verplicht het ED onderzoek te ondergaan.
De leeftijd waarop het onderzoek bij de bouvier gedaan dient te worden is minimaal 18 maanden.

Het beoordelingspanel

Eee van de taken van het ED-panel van de Raad van Beheer, afdeling Gezondheid, Gedrag en Welzijn (GGW), is de beoordeling van röntgenfoto's van de ellebooggewrichten van honden. De röntgenfoto's, de zogenaamde ED-foto's kunnen in principe door iedere praktiserende dierenarts die een overeenkomst met GGW heeft gesloten worden gemaakt

Voor de gegevens van een dierenarts in uw omgeving kunt u contact opnemen met de Raad van Beheer, afdeling GGW, telefoon 0900-7274663. ED-foto's worden beoordeeld door een panel van drie deskundigen. Een zo objectief mogelijke beoordeling van de foto's die voor de ED-bestrijding onontbeerlijk is, wordt daarmee zo goed mogelijk gewaarborgd. De beoordeling van ED-foto's heeft tot doel informatie te verschaffen aan fokkers en rasverenigingen die gegevens over Elleboogdysplasie in hun fokprogramma willen gebruiken.

Röntgenfoto's
De foto's die bij GGW binnenkomen worden in principe eens in de twee weken beoordeeld. Nadat de beoordelingskosten door GGW zijn ontvangen, wordt de uitslag verzonden, tenzij de foto's niet aan de gestelde eisen voldoen. Voor een goede beoordeling van de ellebooggewrichten op artrose zijn twee foto's van de hond van beide ellebogen nodig. Voor een diagnose onderzoek moeten foto's gemaakt worden in vier richtingen. Voor beide onderzoeken moet de hond achttien maanden oud zijn. Terwille van de betrouwbaarheid van de beoordeling worden er hoge eisen gesteld aan de kwaliteit en de documentatie (identificatie) van deze röntgenfoto's. Wanneer niet aan deze eisen is voldaan, krijgt de dierenarts die de röntgenfoto's heeft gemaakt, daarvan bericht met een aantekening over hetgeen eraan mankeert met een verzoek om nieuwe röntgenfoto’s te maken. Een dergelijk verzoek wordt direct na de beoordeling van de röntgenfoto's verzonden. Ook de eigenaar krijgt hieromtrent bericht. De dierenarts wordt geacht contact op te nemen met de eigenaar van de hond om een afspraak te maken voor het maken van nieuwe ED-foto's. Het beoordelen van deze nieuwe foto's wordt niet opnieuw in rekening gebracht.

Uitslag van de foto'ss
De uitslag het ED-panel zal haar eindoordeel t.a.v. de elleboogkwaliteit beschrijven als een van de volgende classificaties:

  • Vrij,
  • Grensgeval
  • Graad 1
  • Graad 2
  • Graad 3.

In die gevallen waarin ras- of projectspecifieke bepalingen van toepassing zijn, zal het panel zo mogelijk tevens een uitspraak doen over het achterliggende ziekteproces. De artrose-beoordeling wordt uitgevoerd vlgs de internationale normen bepaald door de "International Elbow Working Group". De definitieve artroseclassificatie zal gelijk zijn aan de artrose-beoordeling van de slechtste van de beide ellebooggewrichten. Bij het ED-onderzoek zal onderscheid worden gemaakt tussen rassen die op grond van internationale publicaties een verhoogd risico lopen. Bij ons ras zijn twee foto's per elleboog voorlopig voldoende.

De beoordeling van de onderdelen

De term "Elleboogdysplasie" wordt gebruikt, wanneer een of meer van de volgende aandoeningen in een ellebooggewricht aanwezig is of zijn:

  • OCD (Osteochondritis dissecans, loslaten van een stukje kraakbeen van de bovenarm)
  • LPC (Los processus coronoïdeus, loslaten van een stukje bot van de ellepijp)
  • LPA (Los proc.anconeus , loslaten van een stuk bot op een andere plaats van de ellepijp)

Incongruentie (een niet goed "passend" gewricht door een te lange of te korte ellepijp ten opzichte van het spaakbeen).

Ieder van de genoemde afwijkingen leidt na enkele maanden tot "artrose". Onder artrose wordt verstaan veranderingen van een gewricht (botreactie's) die in de loop van het ziekteproces kunnen ontstaan, die blijvend zijn en vooral gekenmerkt worden door startpijn (kreupele stappen net na het opstaan), "er doorheen lopen" (dus beter lopen na enige tijd) en een terugval na veel inspanning. Behandeling De behandeling van een afwijkend ellebooggewricht hangt ondermeer af van de aard en de ernst van de afwijking, de ernst van de klachten, de leeftijd van de hond en eventueel aanwezige (complicerende) artrotische veranderingen. Vaak is een chirurgische behandeling geïndiceerd. Daarbij geldt dat, als er geen factoren tegen pleiten, losgeraakte bot- en kraakbeenfragmenten (bij OCD, LPA en LPC) uit het gewricht worden verwijderd terwijl de incongruentie zo mogelijk wordt gecorrigeerd. Artrose zelf is niet chirurgisch te behandelen, wel de oorzaak van artrose. Er is niet aangetoond dat er middelen zijn waarmee artrose kan worden verholpen. Wel kunnen door het opleggen van gedragsregels en door het gebruik van pijnstillers de klachten worden verminderd. Het herhalen van ED-onderzoek In het algemeen behoeft de hond dit onderzoek eenmaal in het leven te ondergaan. In sommige gevallen is het gewenst dat het onderzoek 1 jaar later herhaald wordt. Dit kan ook als de eigenaar hier prijs op stelt. De uitslag, die daarbij tot stand komt, zal de eerder gegeven uitslag vanaf dat moment gaan vervangen.

Elleboogdysplasie en de fokkerij
In het algemeen geldt hoe beter de kwalificatie van de ellebogen hoe kleiner de kans dat de nakomelingen ED zullen ontwikkelen. Dit is echter geen garantie dat alle nakomelingen van negatief beoordeelde honden ook negatief zullen zijn, de kans is alleen groter. De wijze van vererven kan per ras verschillen. Rapportage Uitslagen van het ED-onderzoek worden toegestuurd aan rasverenigingen die een overeenkomst met GGW zijn aangegaan. Een consequentie hiervan is dat de uitslagen openbaar moeten zijn, zowel voor de leden van de rasvereniging als voor derden. GGW registreert geen namen van eigenaren en deze worden bij rapportage dan ook niet vermeld. Uw hond en ED Eigenaren van honden waarvan officieel ED-foto's zijn gemaakt vragen de dierenarts die de foto's gemaakt heeft nogal eens naar zijn of haar mening over de toestand van de ellebogen. Wanneer de eerste indruk van de dierenarts beter is dan de uiteindelijke uitslag, kan dit aanleiding zijn tot teleurstelling bij de eigenaar van de hond. Het ED-panel adviseert dierenartsen daarom geen uitspraken te doen over de toestand van de ellebogen. Van honden die niet vrij blijken te zijn van elleboogdysplasie, maar die hiervan geen uiterlijke verschijnselen tonen, kan op grond van deze foto's niet voorspeld worden in welke mate ze later problemen kunnen krijgen.Dit is afhankelijk van de aard en de ernst van de aandoening en het gebruik en de aard van de individuele hond. Het is wel verstandig erop toe te zien dat de hond niet te zwaar wordt en dat ook anderszins overmatige belasting van de ellebogen wordt vermeden. Dit is vanzelfsprekend wel afhankelijk van de eisen die aan de hond gesteld worden als huishond of als werkhond. In geval van twijfel kunt u dit met uw dierenarts bespreken.

De ED-beoordeling geeft uitsluitend informatie over de toestand van de ellebogen van de individuele hond. Gegevens over de ED-beoordeling van ouders, nestgenoten en nakomelingen zullen bijdragen tot een nauwkeuriger indruk over de fokwaarde van de betreffende hond. Het is daarom van belang dat de rasverenigingen over alle uitslagen kunnen beschikken en dat alle ED-foto's die gemaakt worden ook ter beoordeling aan de ED-commissie worden voorgelegd, ook indien door de dierenarts duidelijke afwijkingen aan de ellebogen worden gevonden. Het is wenselijk uitsluitend met ED-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op ED bij de nakomelingen het kleinst is. Bij rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn en bij rassen waarin ED vaak voorkomt is dit helaas niet altijd mogelijk. Binnen de rasverenigingen zullen fokkers in goed overleg met de Raad van Beheer, afdeling GGW, kunnen vaststellen wat in het kader van ED-bestrijding voor hun ras noodzakelijk en mogelijk is, en wat in de fokkerij ten aanzien van ED nog verantwoord is.

De Bouviers  in de fokkerij
Zoals in dit artike staat geschreven ben je als lid van Boe4 verplicht het ED onderzoek plaatst te laten vinden als je de bouvier inzet voor de fokkerij. Om de bouvier te mogen inzetten in de fokkerrij is de minimale combinatie van de ouderdieren ED vrij x ED grensgeval  Bouviers met een beoordeling "Elleboogdysplasie graad II of graad III" mogen niet voor de fok worden ingezet.

Bouviers met een ED beoordeling graad II en graad III mogen niet voor de fokkerij worden ingezet.

Database ED Gezondheiduitslagen

Het onderzoek op erfelijke oogafwijkingen.

Voor leden van Boe4 die een nestje fokken met hun bouvier is het  verplicht een onderzoek op erfelijke oogafwijkingen te laten uitvoeren als de reu en/of teef geboren is na 13 maart 2010 Het oogonderzoek wordt in Nederland op diverse locaties uitgevoerd door een aantal dierenartsen die samen het Nederlandse ECVO Oogpanel vormen. Dit panel is door de European College of Veterinary Ophthalmologists (www.ecvo.org) erkend. De registratie van de uitslagen is in handen van de Raad van Beheer op Kynologisch gebied.

Indien u het onderzoek laat uitvoeren dient u mee te nemen de stamboom en het registratie/eigendomsbewijs.Als het oogonderzoek is gedaan, neem dan altijd de eerdere uitslag(en) mee.


Hoe verloopt het oogonderzoek?

Om het gehele oog goed te kunnen bekijken worden oogdruppels toegediend waardoor de pupil open gaat staan. De druppels werken na ongeveer 20 minuten, de pupil blijft daarna circa 4 uur wijd. De hond wordt in een verduisterde ruimte bekeken. Voor het onderzoek wordt het "rapport oogonderzoek" ingevuld en ondertekend door de eigenaar/houder, waarmee deze toestemming geeft om de uitslag door te geven aan de Raad van Beheer. De Raad geeft de uitslag door aan de Rasvereniging als er een overeenkomst tussen deze twee partijen is. Ook wordt voor het onderzoek de identificatie (transponder of tatouage) van de hond gecontroleerd.Het oogonderzoek gebeurt zonder enige sedatie ("roesje") en is beslist niet pijnlijk. De uitslag is gelijk bekend en wordt op het "rapport oogonderzoek" vermeld.

Om welke oogafwijkingen gaat het?

Bij het onderzoek wordt gezocht naar alle afwijkingen waarvan een erfelijke basis bekend is. Het "rapport oogonderzoek" vermeldt 17 afwijkingen bij naam. De belangrijkste worden hieronder genoemd:

Membrana Pupillaris Persistens (MPP).
Een aangeboren afwijking waarbij restanten aanwezig zijn van weefsel  dat normaal kort na de geboorte verdwijnt. De afwijking kan in zeer lichte mate voorkomen, zonder enig gevolg voor het gezichtsvermogen. In ernstiger gevallen zijn er wel nadelige gevolgen. Bij een aantal rassen is een bewezen erfelijke afwijking en kan het ook problemen voor het gezichtsvermogen geven. Bij deze rassen wordt de hond eerst zonder pupilverwijding bekeken.

  • Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV).
    De afwijkingen is vooral bij de Dobermann van belang. Er worden 6 gradaties onderscheiden. Bij deze aangeboren afwijking vertoont de lens pigmentstippeltjes (graad 1) waarvan de hond geen last heeft, of ernstiger afwijkingen (graad 2 t/m 6) waarbij de lens troebel en misvormd is en de hond op jonge leeftijd blind wordt of reeds blind wordt geboren.
  • Cataract (congenitaal).
    Dit is aangeboren grauwe staar. Reeds bij de jonge pup zijn troebelingen in de lens zichtbaar, die het gezichtsvermogen kunnen belemmeren.
  • Retina Dysplasie (RD).
    Dit is een aangeboren netvliesafwijking. Hierbij zijn er plooitjes in het netvlies. Het aantal kan beperkt zijn (focale vorm), maar ook meer uitgebreide vormen komen voor (geografische en totale vorm). In de laatste gevallen is er sprake van beperking van het gezichtsvermogen. De afwijking komt bij erdere rassen voor.
  • Collie Eye Anomalie.
    Dit komt vooral bij de Schotse Herdershond en de Shetland Sheepdog voor. Het is een aangeboren afwijking waarbij het netvlies, het vaatvlies en de oogzenuw betrokken kan zijn. De ernst van de afwijking bepaalt de mate waarin het gezichtsvermogen is aangetast.
  • Ligamentum pectinatum abnormaliteit (Goniodysplasie).
    Een aangeboren afwijking van de afvoer van het kamervocht (het vocht in de ruimte tussen het hoornvlies en de iris). Een deel van de honden met deze afwijking ontwikkelt glaucoom (hoge oogdruk). De afwijking komt bij veel rassen voor. In Nederland is het vooral bij de Bouvier bekend. Onderzoek naar de afwijking vindt plaats met behulp van een gonioscopie-lens, die tijdelijk op het hoornvlies wordt geplaatst. Daardoor kan de plaats waar de afvoer in het oog plaatsvindt worden onderzocht. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving en het is niet pijnlijk voor de hond. Het neemt wel meer tijd en geduld van zowel de hond als de onderzoeker. Het onderzoek naar deze afwijking wordt niet standaard bij het oogonderzoek uitgevoerd, maar is een extra handeling. Bij het maken van een afspraak dient u duidelijk te vermelden dat er gonioscopie moet worden gedaan. Er wordt dan een dubbele afspraak gemaakt. Eerst wordt bij de hond de gonioscopie uitgevoerd. Indien de hond ‘vrij’ wordt bevonden voor dit onderdeel, wordt een pupilverwijdende vloeistof ingedruppeld. Na ongeveer twintig minuten kan de rest van het onderzoek worden gedaan.
  • Entropion.
    Dit is een afwijking waarbij een ooglid (meestal het onderooglid) naar binnen draait. Het komt bij veel rassen voor.
  • Distichiasis/Ectopische Cilie.
  • Dit is abnormale haargroei in de ooglidrand en op andere plaatsen zoals in de bindvliezen. De haartjes kunnen door constante irritatie beschadigingen van het hoornvlies geven. Het komt voor bij meerdere rassen.
  • Cataract (niet-congenitaal).
    Cataract is staar. In de lens zijn troebelingen aanwezig. Het kunnen kleine troebele plekjes zijn die lange tijd stabiel zijn en niet of nauwelijks een vermindering van het gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige mate voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste oog veroorzaken. Cataract kan aan een oog voorkomen, of beiderzijds. Het komt bij veel rassen voor. Bij veel rassen treedt het al op in de eerste levensjaren, maar het kan ook nog op latere leeftijd optreden. Het onderscheid met het normale verouderingsproces van de lens (de bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.
  • Primaire) Lensluxatie.
    Dit is het loslaten van de lens. Komt vooral voor bij kleine Terri?rs en treedt meestal op rond de 4 jarige leeftijd. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.
  • Retinadegeneratie of Progressieve Retina Atrofie (PRA).
  • Dit is een groep van netvliesafwijkingen die bij veel rassen voorkomt en tot blindheid leidt. Het begint meestal met slecht zien in het donker (nachtblindheid) en leidt uiteindelijk na enkele jaren tot volledige blindheid. Er bestaat geen behandeling voor PRA. PRA ontwikkelt zich bij veel rassen pas na het derde of vierde levensjaar. Voor die tijd is er aan de hond niets te merken en bij het oogonderzoek ook niet te zien. Voor een aantal rassen bestaat er nu een DNA-test, waardoor bij pups al is vast te stellen of de hond genetisch vrij is of dat er een kans is op dragerschap of lijderschap. De verwachting is dat deze ontwikkelingen de komende jaren zullen doorgaan.

Betekenis van de uitslag.

  • "Vrij"
    het dier vertoont geen verschijnselen van de aangegeven, als erfelijk beschouwde oogziekte. Let op, dit betekent niet dat het dier de afwijking niet kan doorgeven aan de nakomelingen. Het kan een drager zijn. Ook is het niet uit te sluiten, dat het dier de afwijking later alsnog kan krijgen.
  • "Niet vrij"
    het dier vertoont de klinische symptomen van de erfelijke oogziekte.
  • "Onbeslist"
    zeer geringe afwijkingen, die mogelijk passen bij het klinische beeld van de erfelijke oogziekte; deze zijn echter onvoldoende specifiek.
  • "Onbeslist"
    betekent niet dat de onderzoeker het niet weet! Er zijn wel degelijk afwijkingen van het normale beeld bij de hond aanwezig, maar ze zijn niet duidelijk genoeg aanwezig om de hond "niet vrij" te verklaren.
  • "Voorlopig niet vrij"
    Geringe afwijkingen passend in het klinisch beeld van de als erfelijk beschouwde oogziekte. Voortschrijden van het proces moet dit bevestigen. Meestal wordt na een half jaar de hond opnieuw beoordeeld.

Vanaf welke leeftijd moet de bouvier worden onderzocht?

De bouvier moet minimaal 12 maanden oud zijn en de uitslag van het onderzoek mag op het moment van de dekking niet ouder zijn dan 1,5 jaar.
Bij 4 onderzoeken die gedaan zijn met minimale tussenpozen van 1 jaar, of bij een onderzoek wat gedaan is op of na de leeftijd van 72 maanden, blijft de laatste uitslag geldig voor de rest van het leven

Waarom moet er meerdere malen worden onderzocht?

Een aantal afwijkingen (bijvoorbeeld lensluxatie, cataract, PRA) ontstaat pas na enkele jaren. Een eenmalige test is dan niet voldoende, de afwijking kan zich immers nog later openbaren.

Tot welke leeftijd moet de bouvier worden onderzocht?

Tot de leeftijd van 72 maanden of indien er 4 onderzoeken hebben plaats gevonden met een minimale tussenpozen van 1 jaar.

Het ECVO formulier Database ECVO onderzoek uitslagen
Privacy Policy
© 2019 Vereniging Boe4  Cookiebeleid
­